Het recht op jaarlijkse vakantie: de kroniek van 20 jaar reparatiewetgeving

Door Miranda Van Eetvelde op 1 oktober 2013, over deze onderwerpen: Werken

Een werknemer heeft ieder jaar recht op 4 weken vakantie met behoud van loon. Dit basisrecht werd 20 jaar geleden ingeschreven in een Europese Richtlijn. Bijna alle Europese landen hebben dit basisrecht zonder enige moeite omgezet in nationale wetgeving. België vormt een pijnlijke uitzondering en zoekt z’n heil in halfslachtige en complexe reparatiewetten. Hoelang blijven we nog aanmodderen?

De Europese Richtlijn van 1993, gewijzigd in 2000 en 2003, stelt dat elke werknemer recht heeft op minstens 4 weken betaalde vakantie. De filosofie is simpel: wie een volledig jaar werkt moet in dat jaar minstens 4 weken vakantie kunnen nemen zonder daarbij loon te derven. 

Maar niet in België …

De basisregel in België was en is nog steeds dat vakantierechten worden opgebouwd op basis van prestaties van het voorgaande jaar. Belgen moeten bijgevolg een jaar wachten om uit te rusten! Die Belgische toepassing strookt helemaal niet met het Europese basisrecht van 4 weken vakantie in het lopende jaar. Heel wat categorieën van werknemers vallen zo uit de boot omdat ze het voorgaande jaar minder hebben gewerkt: jongeren die afstuderen, ouderen die herintreden, mensen die tijdelijk hun arbeidsprestaties hebben verminderd, … Omdat België bleef talmen met het aanpassen van haar wetgeving volgden verschillende ingebrekestellingen door de Europese Commissie. 

20 jaar reparatiewetgeving 

De oplossing lag al 20 jaar voor de hand: wijzig de wet op de jaarlijkse vakantie en bereken de vakantierechten op basis van de prestaties of gelijkgestelde dagen van het lopende jaar. Dat is de logica zelve: wie werkt in 2013, heeft in 2013 recht op vakantie. Maar de traditionele politieke partijen en de sociale partners houden niet van eenvoudige en begrijpelijke oplossingen. In plaats daarvan hanteert men al 20 jaar de beproefde techniek van het knip- en plakwerk. Via reparatiewetgeving werden bijkomende vakantiestelsels ingevoerd telkens nieuwe groepen van werknemers tussen de mazen van het net vielen.

Voor pas afgestudeerde jongeren bijvoorbeeld: omdat zij bij hun eerste job nog geen voorgaande prestaties konden voorleggen, hadden ze helemaal geen recht op vakantie. Men introduceerde in 2001 de jeugdvakantie. En om het nog wat complexer te maken: het vakantiegeld wordt betaald door de R.V.A. en niet door de werkgever of één of andere vakantiekas. Of voor oudere werknemers, die na een periode van inactiviteit het werk hervatten en dus onvoldoende prestaties hadden geleverd in de voorgaande jaren. Zo ontstond in 2006 de seniorvakantie. Ook hier is het de R.V.A. die instaat voor de betaling van het vakantiegeld. Midden 2012 werd, na nog eens een Europese ingebrekestelling, de aanvullende vakantie ingevoerd. Er bleken immers nog heel wat andere werknemers niet te genieten van het recht op 4 weken vakantie in het lopende jaar. En na midden 2012 volgden nog verschillende Koninklijke Besluiten om de vele hiaten in de nieuwe ‘aanvullende vakantie’-wetgeving op te vullen. Het meest recente K.B. verscheen midden september 2013 in het Belgisch Staatsblad. Deze maal betrof het de werknemers die in het voorgaande vakantiedienstjaar deeltijds werkten en in het lopende jaar voltijds aan de slag gingen.

En zo blijft de regering de gaten in de wettelijke vakantieregeling voortdurend dichten. Want één ding staat vast: het reparatiewerk is nog niet af … Waarom blijft men hardnekkig vasthouden aan het principe dat vakantierechten worden berekend op basis van prestaties geleverd in het voorgaande jaar? Waarom blijft men zichzelf verhelpen met steeds bijkomende wetgeving en afzonderlijke uitzonderingsregelingen, die het geheel voor werknemers en –gevers steeds complexer maken? Waarom krijgt men ook het verschil tussen arbeiders en bedienden in de vakantieregeling niet weggewerkt? Is dit een illustratie van wat we sinds enkele jaren in het sociaal overleg en arbeidsmarktbeleid “le faisable” noemen? Meer zat er niet in om het stelsel van de jaarlijkse vakantie te hervormen, dus dan maar een “kotje” bijgebouwd.

Administratieve lasten voor bedrijven en werknemers steeds groter

Welke werkgever of werknemer vindt zijn jongen nog terug in al die vakantiestelsels? Iedere werknemer die verandert van werkgever zeult op zijn minst 2 vakantieattesten met zich mee. Hij krijgt er één voor het voorbije jaar en één voor het lopende jaar. De loonadministratie bij de nieuwe werkgever is er een paar uren zoet mee om die papierwinkel te verwerken. Hoeveel werknemers begrijpen waarom ze weinig of geen loon krijgen wanneer ze wettelijke vakantie nemen bij hun nieuwe werkgever? Kortom: het is hoog tijd om de vakantiewetgeving van 1971 met al de bijhorende reparatiewetgeving van de voorbije 20 jaar eens grondig uit te mesten. En dat kan dit najaar: het momentum is daar!

Het eenheidsstatuut als opportuniteit 

Dit najaar moeten nog heel wat verschilpunten tussen arbeiders en bedienden worden weggewerkt. Eén van die verschilpunten is de verschillende vakantieregeling voor arbeiders en bedienden. Het vakantiegeld voor bedienden wordt rechtstreeks door de werkgever betaald aan de werknemer. Bij de arbeiders gebeurt er een R.S.Z.-heffing op het loon en die gelden worden via de R.S.Z. doorgestort aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie, die ze vervolgens nog eens doorstort aan één van de vele vakantiekassen. En die vakantiekassen betalen het vakantiegeld aan de werknemer! Dit is in Europa een unieke en volstrekt overbodige constructie. De administratieve kost van deze constructie bedraagt jaarlijks enkele tientallen miljoenen euro’s. 

Dit najaar krijgt de Minister van Werk, samen met de sociale partners, de gelegenheid om bij de vorming van het eenheidsstatuut te kiezen voor een eenvoudig en logisch vakantiestelsel en dit voor alle werknemers. Als men voortaan, net zoals in alle andere Europese landen, de vakantierechten zou vastleggen op basis van de prestaties van het lopende jaar, worden alle uitzonderingsmaatregelen overbodig. Ook de papierwinkel en de betaling van het vakantiegeld bij verandering van job zou een pak eenvoudiger en begrijpelijker worden. Als men bovendien kiest voor de rechtstreekse betaling van het vakantiegeld door de werkgever kan men tientallen miljoenen euro’s administratieve kosten besparen. Geld dat zeer nuttig zou kunnen worden gebruikt om de lasten op arbeid voor werkgevers en werknemers te verminderen.

We kijken uit of de regering en de sociale partners de moed hebben om verder te gaan dan "le faisable". U ook?

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is